Families De Vries rond 1600: de Burgemeester, de Schilder en de Beeldhouwer

Zoals bekend wonen er veel De Vries-families in ons land, alle met één natuurlijk-oorspronkelijke herkomst: Friesland.                                                                                                                                           
Via de familie van mijn vrouw stuitte ik op een correspondentie van bijna 100 jaar geleden tussen de “Zaanse stam” en de “Delftse tak” van een zelfde familie De Vries. Uit deze correspondentie bleek dat er heel ver terug een burgemeester Dirck Jacobszoon de Vries vigeerde in Haarlem, onder andere in het “oorlogs”-jaar 1572. Eén van zijn drie zonen heette Adriaen die – net als zijn vader – “treftig catholyck” was; diens  dochter Cornelia runde met haar man een katholiek Hofje in Delft. De twee andere zonen hadden “gezindheid voor de nieuwe leer” en waren protestant geworden.
Voorts was er in 1985 een uitgebreide tentoonstelling over de kunstenaar Hendrick Goltzius in het Frans Halsmuseum. Van zijn hand hing daar het prachtige portret uit 1590 van “zijn vriend en schilder-kunstenaar Dirck Jacobszoon de Vries” (Teylers Museum)1].

Exact de zelfde naam dus als die van de burgemeester. Hij dreef een goed lopend atelier in Venetië. Een tiental jaren later organiseerde het Rijksmuseum een schitterende tentoonstelling over ”Adriaen de Vries (1556-1626), keizerlijk beeldhouwer”, met een evenzo prachtige catalogus. Alles onder leiding van hoogleraar-cum-kunsthistoricus Frits Scholten. Deze Adriaen werkte vooral in het buitenland, vaak voor katholieke keizerlijke opdrachtgevers aldaar[2].

Naast aandacht voor mogelijke familienetwerken van toen is ook de wereld rondom belangrijk. Die betrof immers de eeuw die op geestelijk gebied begon met boegbeeld Erasmus, met zijn beroemde spreuk “Heel de wereld is mijn vaderland”[3]. Men kende elkaar hier, getuige bijvoorbeeld het feit dat Quirijn Thalesius niet alleen tien jaar lang de secretaris van Erasmus was geweest, maar daarna ook nog eens tien keer het burgemeestersambt bekleedde in Haarlem. Zo nam hij daar onder meer de eed af van “de jonge jurist” Dirck Coornhert. Op zijn beurt was de veelzijdige Coornhert als etser en graveur de leermeester van Hendrick Goltzius, die zonder twijfel ook op de hoogte raakte van zijn humanistische ideeën. Bekend is voorts dat  Goltzius – met in zijn kielzog zijn stiefzoon Jacob Matham – locaal onder meer gravures voor de Haarlemse rederijkerskamer “Trou moet Blycken” ontwierp en realiseerde, zoals de blazoenen. Twee zijn er gegraveerd door Matham, een ander werd in 1606 geschilderd door Frans Pietersz. de Grebber (zie zijn portretten hierna)[4]. Maar ook over de grenzen waren er vele contacten en dan vooral via de Kunsten. Niet alleen Coornhert en Goltzius (met stiefzoon) maar ook schilder, schrijver en stadgenoot Karel Van Mander (1548-1606) blijken belangrijke verbindingsschakels te zijn geweest in die nationale en internationale  netwerken. “Europa van de kunsten” bleek hún vaderland, met Grand Tours en met geschriften – zoals Van Manders Schilder-boeck, dat een “uitgebreide en betrouwbare schets geeft van de zestiende-eeuwse Europese kunstwereld”[5].

Dirck Jacobszoon de Vries: de Burgemeester  


Dirck Jacobszoon de Vries (1510-1587/8) was een ervaren bestuurder van de stad Haarlem. Volgens het Memoriaelbouck van Willem Janszoon Verwer vervulde hij in de periode 1542-1572 acht keer de functie  van schepen en zeven keer die van burgemeester van de stad. Daarbij was hij twee maal voorzitter van het viertal burgemeesters: in 1566 en in het “beleg”-jaar 1572. Beide keren betrof dat één jaar, de gebruikelijke ambtsperiode in  die tijd[6].
                                                                                        
De Vries was in 1572 als voorzittend burgemeester zeer nauw betrokken bij het beleg van Haarlem. Over alle krijgsverrichtingen en schermutselingen in die tijd is veel geschreven. Duizenden doden vielen er zowel aan de bezettende Spaanse zijde als aan de verdedigende Haarlemse zijde[7].Eind van dat jaar wilde Don Frederik, de zoon van Alva, vanuit Amsterdam richting Haarlem koersen  met het doel de stad te belegeren. Daartoe spoedde burgemeester de Vries zich, volgens interne afspraken, met jonkheer van Schagen en pensionaris van Assendelft naar Amsterdam met een geheim onderhandelingsvoorstel voor Don Frederik. Dat beoogde een vreedzame oplossing te bereiken om aldus “Spaanse bloedbaden” zoals  in Zutphen en Naarden te voorkomen. De missie mislukte echter om allerlei redenen. Bovendien was de missie in Haarlem uitgelekt en daar wachtte een woedende militaire leider van het Haarlemse verzet, de Groninger Wigbolt Ripperda, die de Vries c.s. van verraad beschuldigde. De Vries bleef “voor nader overleg” wijselijk in Amsterdam, wetende welk bewind Ripperda in de stad voerde. Zijn metgezellen gingen wél per ommegaande  naar Haarlem, net als iets later een gezant. Allen werden omgebracht. Ook werd enige tijd later – Pinksteren 1573 – Quirijn Thalesius met anderen op beschuldiging van verraad ter dood veroordeeld en opgehangen. Tegenreacties bleven niet uit: Ripperda werd op 16 juli van dat jaar onthoofd op ’t Sant (later herbenoemd tot Grote Markt). Zo ging dat. 
De Vries vluchtte van Amsterdam naar Hamburg. Na enige tijd (1574) kon hij echter weer vreedzaam  terugkeren naar zijn thuisstad, waar een gemengd-gelovige en meer gematigde groep bestuurders was aangetreden. Hij werd later zelfs weer in de vroedschap benoemd.                                                 

Tóch waren ook ná 1574 de onlusten niet geheel voorbij. Hoewel gezegd werd dat in 1566 mede door het optreden van de toenmalige stadssecretaris Coornhert de Beeldenstorm aan Haarlem voorbij ging, was het onder meer op 29 mei 1578 wél raak toen de “Haarlemse Noon” plaatsvond. Op deze Sacramentsdag drong een grote groep relschoppers onder andere de St. Bavo-kerk binnen, sloeg beelden kapot en richtte vernielingen aan. De priester Balling, die hen tegemoet trad werd doodgeslagen[8].

Bij deze “verlate” beeldenstorm speelde de goed-katholieke de Vries ook een rol. Volgens een getuigenis van “de nonne” Elisabeth Verhagen had hij bij de beeldenstorm en de kloosterverwoesting van 1578 de goederen van het S. Michielsconvent met daaronder de Reliekkas van het H. Kruis “in zijn huyse geherbercht ende bewaert”. Volgens een verslag van het Bisdom Haarlem doet dit gedrag van de Vries volstrekt niet denken “aan gezindheid voor de nieuwe leer, terwijl ook zijn geslacht aan de Kerk getrouw schijnt te zijn gebleven”. Zo had zoon Adriaen zijn vrouw uit het “treftig catholyck geslacht Wij”[9]. Dit lijkt echter toch een te snelle en te smalle conclusie, want zijn twee andere zoons Cornelis Dirckszoon en Gerrit Dirckszoon waren wél protestant geworden.

Adriaen Dircksz. dr Vries
1580, 32 jaar
Cornelia Fransdr. Wij
1580, 27 jaar
Cornelia Adriaensdr. de Vries
1538, 5 jaar

Begrijpelijk is dat in deze “geslachtslijst” uit katholieke bron vooral de familie van de katholieke Adriaen naar voren wordt gehaald. Over de andere familieleden is niet alleen weinig bekend, maar gelet op het feit dat alle bekende geschilderde portretten Adriaens familietak betreffen kan hieruit ook de katholieke liefde voor (heilige) beelden en portretten blijken, die veel minder bij de “sobere” protestanten te vinden is. Ook bij de toekomstige schoonfamilie van dochter Cornelia komt deze “blijheid” ons tegemoet.

Alle drie portretten (met molenkragen) zijn geschilderd door Pieter Pietersz. I (1541-1603). Bij het eerste portret, van Adriaen, is het wapen van deze de Vries-familie te zien: gedeeld, links rood met drie eikels van goud  (de drie zonen?)  en rechts gekeperd van goud en rood. Het is 1580 en hij is dan 32 jaar. Het tweede portret, van Adriaens echtgenote Cornelia Wij, toont een ruitwapen met links het wapen van haar man en rechts het wapen van de familie Wij. Deze Cornelia is 27 jaar in 1580. Op het derde portret is dochtertje  Cornelia de Vries te zien. Zittend, een korfje met rozen op haar schoot en in de rechter bovenhoek het De Vries-wapen (portret gespiegeld ten opzichte van origineel). Het portret is van 1583 en zij is dan nog maar vijf jaar oud.

Cornelia de Vries en het Klaeuwshofje te Delft


Kleindochter Cornelia trouwde in 1595 met Mr. Frederik Uyttenhage van Ruyven uit Delft. Zij was toen 17 en hij 24 jaar. Getuige was onder andere Gerrit Dirckz. de Vries, een broer van de bruid. De familie van Frederik wordt omschreven als een gegoede katholieke familie. Vader Dirck Uyttenhage Van Ruyven (DUVR op de gevelsteen) was bierbrouwer en had zijn brouwerij “De Klaeuw” aan de Koornmarkt te Delft; diens vrouw was Elisabeth Frederiksdochter Van Ruyven (EFVR), geboren van Adrichem. Dit echtpaar stichtte in 1605 een hofje dat uit twaalf woninkjes bestond en vernoemd  werd naar de brouwerij. Rooms-Katholieke ongehuwde vrouwen en weduwen die niet meer in hun onderhoud konden voorzien mochten er gratis wonen en werden onderhouden. Dit Klaeuwshofje bestaat in gewijzigde vorm nog steeds, met als gevel-spreuk:                                 

                                                                        DUVR  & EFVR  

                                          DIE MILDELICK SAEYEN IN DEN ARMEN HOVEN

                                   SULLEN RYCKLICK MAEYEN IN DEN OOGST HIERBOVEN

Naast het concreet helpen van de armen, hoopten de rijke stichters van het Hofje kennelijk hun plekje in de hemel veilig te stellen.                                                                                                                                                  
Ook deze katholieke familie is mooi geportretteerd. Zo is er een schilderij  van moeder Elisabeth op 74-jarige leeftijd (schilder onbekend). Het schilderij van haar man bestond, maar is verloren gegaan. Zoon Frederik en zijn vrouw Cornelia de Vries zijn beiden in 1603 geportretteerd door de eerder genoemde schilder Frans Pietersz. de Grebber (1573-1649). Frederik was toen 32 jaar en Cornelia (nu) 25 jaar.

Mr. Fredrik Uyttenhage van Ruyven
1603, 32 jaar
Cornelia Adriaensdr. de Vries
1603, 25 jaar
Adriaen Frederiksz. Uyttenhage van Ruyven
1638, 40 jaar
Josina Frediksdr. Uyttenhage van Ruyven
1638, 38 jaar

Het echtpaar kreeg zes kinderen, waarvan de oudste zoon , Adriaen (1598) , pastoor werd in Den Briel en later in Delft; de oudste dochter was Josina (1600). Beide portretten zijn ook van de Grebber. Grootmoeder had toentertijd met de hier geportretteerden de leiding over het Hofje.

Dirck Jacobszoon de Vries: de Schilder


In het Tijdschrift voor Nederlandsche Kunstgeschiedenis bespreken de kunsthistorici  Van Gelder en Pariset een portrettekening van Dirck Jacobsz. de Vries, vervaardigd in 1590 door diens vriend Hendrick Goltzius[10]. De vriendschap van  Goltzius met de Vries wordt reeds door Karel van Mander gemeld. Want in het bewuste jaar “arriveerde hij te paard”  bij hem in Venetië – als tussenstop in zijn Grand Tour op weg naar Rome. Van Mander verhaalt over dat bezoek via een vermakelijke “zoete klucht’ aangaande Goltzius, met wie hij persoonlijk bevriend was. Die schiep er behagen in om op zijn reis incognito te reizen. Zo kon hij zijn oor te luisteren leggen en de wérkelijke oordelen en roddels over zijn werk vernemen. Op een Venetiaanse schilder, die had beweerd Goltzius wel op zijn voorname uiterlijk te zullen herkennen, stuurde hij een bevriende zilversmid af (metgezel Jan Mathijssen). Deze was lang en deftig en viel pas door de mand toen hem om een tekening werd gevraagd. Aldus, moraliseert van Mander, vond de ander zich bedrogen in zijn mening dat hij iemand op zijn uiterlijk kon beoordelen[11].

De “doorluchtige” schilder De Vries dreef van 1590 tot 1609 een goed beklant atelier in Venetië. Daarvoor was wél het stadsburgerschap vereist. Hij wordt door de bovengenoemde kunsthistorici (nogal uitbundig) gekenschetst als onder meer “een gevierd portretschilder, een schilder van een gevarieerd Venetiaans realistisch markttafereel en één van de eerste Venetiaanse topografen”. In een Amsterdamse boedel uit 1612 werd een drietal schilderijen van hem vermeld.

Goltzius’ tekening van hem is in Venetië op diens heenweg naar Rome ontstaan. Hij gebruikte verschillende kleuren krijt en ook hier is de geplooide kraag in beeld. De Vries woonde met zijn vrouw Oegenia aldaar, waar hun zoon Frederik werd geboren. Deze zou later bij Goltzius in de leer én de kost komen, dat laatste samen met zijn broer Pieter Anthonij. In 1597 graveerde Goltzius “de fenomenale beeltenis” van de jonge Frederik met hond – een Drentse patrijshond, Goltzius’ eigen huisdier (Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum). De afbeelding moet bij verschijnen onmiddellijk een geweldige indruk hebben gemaakt, want “al spoedig waren er bedrieglijk goede kopieën in de handel – tot in de twintigste eeuw toe. En dat bewijst hoe lang de nagalm van een krachtig beeld kan zijn in het bewustzijn van latere kunstenaars”. Het portret wordt door kunstkenners als één van de topwerken van Goltzius gekwalificeerd.

Kunstenaar Dirck de Vries (1590)
Frederick de Vries (1597)

De gravure betreft de tweede staat van drie. In de cartouche onder de hond staat Goltzius’ opdracht in het Latijn, met als vertaling: “Dit werk draag ik op aan de voortreffelijke schilder Dirck de Vries in Venetië en stel hem zijn afwezige zoon voor ogen”. In de marge staat een Latijnse tekst van de Nederlandse oudheidkundige Petrus Scriverius met enige duiding. Goltzius zou met de afbeeldingen volledig aansluiten bij de beeldtaal van Karel van Mander, waarin de duif onder andere staat voor eenvoud en de hond niet alleen voor trouw maar ook voor “den rechten Leeraer” en zou hij hier zichzelf hebben voorgesteld. Bovendien past het dier in een voor hem bekende humanistische traditie, die de liefde van de hond voor zijn meester verheerlijkt[12].

Frederik is jong overleden. Uit zijn testament van 1613 spreekt grote dankbaarheid jegens zijn meester, patroon en voogd. Zijn “eenige ende universeelen erfgenaem” is zijn lieve moeder Oegenia de Vries en (in tweede instantie) zijn broer Pieter Anthonij. Executeurs zijn Goltzius en diens (eerder genoemde) goede vriend Jan Matthijssen.

Adriaen de Vries: keizerlijk beeldhouwer


Adriaen Pieterszoon de Vries werd geboren in Den Haag, waarschijnlijk in 1556. Hij overleed op zeventigjarige leeftijd in Praag (1626). Volgens  Frits Scholten kwam hij uit een respectabele Haagse regentenfamilie. Zijn vader was Pieter Willemszoon de Vries (circa 1530 – 1594) een apotheker en zijn moeder een advocatendochter, Margrietje Snouck. Zij kregen acht kinderen[13].

Aanvankelijk ging hij in de leer bij een zwager, die goudsmid was in Den Haag. Later zou hij in Delft in het beeldhouw-vak zijn bekwaamd door Willem Danielszoon van Tetrode (1525-1580). Die dreef een atelier aldaar en was met zijn ruime internationale ervaring een beeldhouwer van formaat en even vaardig in brons als in marmer en albast. Scholten constateert dat: “De invloed van diens creaties op het werk van Hendrick Goltzius een duidelijke aanwijzing is voor zijn reputatie in eigen land” – ook hier weer een duidelijke link naar de Haarlemse kunstenaar. Verder merkt hij  over de levensloop van Adriaen de Vries op dat niet bekend is in welk jaar hij zijn geboorteland verruilde voor Italië en evenmin wat hem precies bewoog tot zo’n ambitieuze stap. Wél staat vast “dat hij niet de enige Nederlandse beeldhouwer was die zijn succes in het buitenland beproefde”. De Vries heeft echter zijn Nederlandse wortels nooit verloochend. Zo signeerde hij het merendeel van zijn beelden met het achtervoegsel “Hagiensis Batavus” (“De Bataafse Hagenaar”) en verkeerde hij voortdurend in gezelschap van landgenoten. Het is in dit verband opvallend hoeveel “Noordelijke” kunstenaars elders in Europa terechtkwamen en er een succesvol bestaan opbouwden. Scholten schetst een complex van factoren dat daarbij een rol heeft gespeeld. Zo was de culturele dichtheid in de Nederlanden de hoogste in Europa. Ook was de mobiliteit onder de Nederlandse kunstenaars opvallend hoger dan elders in Europa. Naast studie van de kunst van de Oudheid en van de grote Italiaanse meesters vormden ook opdrachten de belangrijkste motivatie voor kunstenaars om huis en haard te verlaten. In het bijzonder vanwege de kansen op vorstelijke protectie – waar het in eigen land zozeer aan ontbrak – maakten het buitenland aantrekkelijk. Zo bracht het hofkunstenaarschap allerlei financiële en sociale privileges met zich mee. Bovendien maakte dat kunstenaars onafhankelijk van de gilden. De buitenlandse aantrekkingskracht voor jongere, ambitieuze landgenoten was al met al ook evident. Zo noemt Scholten onder de landgenoten die in 1595 in Rome – de Eeuwige Stad – arriveerden “de jonge graveur Jacob Matham (1571-1629), zoals bekend de stiefzoon en leerling van Goltzius. “Wellicht kenden De Vries en Matham elkaar al, bijvoorbeeld via Jan Muller, een andere Goltzius-leerling die enkele jaren later verschillende werken van De Vries in prent zou reproduceren”.    

Dit portret van Adriaen de Vries op middelbare leeftijd (ca. 1600) bevindt zich in Augsburg,
Städtische Kunstsammlungen, olieverf op paneel.


VOETNOTEN   

[1] Goltzius was ook middelpunt van het Kunsthistorisch Jaarboek 1991-1992, Falkenburg, Kok en Leeflang; Waanders, Zwolle 1993. In 2003 was er een tentoonstelling over zijn werken in diverse (inter-)nationale musea, waaronder het Rijksmuseum in Amsterdam. Leeflang Orenstein en Nickols; Waanders 2003

[2] Adriaen de Vries, Rijksmuseum  Amsterdam, 12 december 1998 – 14 maart 1999. Tentoonstelling en Catalogus in samenwerking tussen Rijksmuseum, National Museum (Stockholm) en J. Paul Getty Museum (Los Angeles).

[3] In de jongste Christmas Special van The Economist (December 2020) werd hij “ .. the last great intellectual of a united Christian Europe” genoemd. 

[4] Alexander de Bruin, De schatten der Pellicanisten, Haarlem, 2001, over de Haarlemse rederijkerskamer “Trou moet Blycken”, o.a. pagina’s 40-44. Zie over Coornhert c.s. Wim Cerutti e.a. : Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590), Een strijdbare Haarlemse humanist, Haarlem 2018. En Peter van Wingerden, Sporen van Coornhert in Haarlem, Haerlem Jaarboek 2018.

[5] Vergelijk: Hessel Miedema over Van Mander, NRC Handelsblad  6-5-1994 en Waanders 1993.

[6] Memoriaelbouck, pagina 13, voetnoot 57. Verwer was onder andere procureur van de rechtbank.

[7] Zie o.a. Wim Cerutti, Het Stadsbestuur van Haarlem, 2001, p. 351 e.v. Zie ook de informatieve UVA-Masterscriptie van Guy Rocourt: De regimewisselingen in Haarlem tussen 1572 en 1577. Juni 2015

[8] De Noon is het middaggebed in abdijen en kanunnikencolleges, het gebed van het negende uur. Op 29 mei 1578 was de bisschop met dit college en vele priesters vanwege de Noon naar de kerk getrokken.

[9] J.J. Graaf, Het Klauwshofje te Delft in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, Vol. 38 (1918).

[10] Dirck de Vries, door F.G. Pariset en J.G.van Gelder, OUD-HOLLAND, 1950.

[11] Karel van Mander, Schilder-boeck, 1604. Hoofdstuk “Het leven der doorluchtige Nederlandtsche en Hoogduytsche schilders”. Zie ook Leeflang C.S. 1993 en voetnoot 4.

[12] Zie voetnoot 1.

[13] Frits Scholten, Catalogus, p.42, voetnoot 6: Willem, Adriaen, Dirck, Cornelis, Florentina, Soetgen, Aechgen en Beatrix. Cornelis (een schoenmaker) was in 1594 de boedelverdeler van zijn ouders en in 1627 de belangrijkste erfgenaam van Adriaen.

Met dank  aan het Noord-Hollands  Archief, het Stadsarchief Delft, het Museum Prinsenhof Delft, Prof Dr. Frits Scholten, Dr. Jan Spoelder en Jeroen Dortmundt.
De foto’s van de zeven portretten zijn uit de collectie van het Prinsenhof Museum, bruikleen Stichting ’t Klaeuwshofje (fotograaf Tom Haartsen).

Marius van Nieuwkerk houdt van geschiedenis en schrijft er graag over: www.mariusvannieuwkerk.com