Families De Vries rond 1600:de Burgemeester, de Schilder en de Beeldhouwer

24 april 2021

Zoals bekend wonen er veel De Vries-families in ons land, alle met één natuurlijk-oorspronkelijke herkomst:
Friesland.
Via de familie van mijn vrouw stuitte ik op een correspondentie van bijna 100 jaar geleden tussen de “Zaanse
stam” en de “Delftse tak” van een zelfde familie De Vries. Uit deze correspondentie bleek dat er heel ver
terug een burgemeester Dirck Jacobszoon de Vries vigeerde in Haarlem, onder andere in het
“oorlogs”-jaar 1572. Eén van zijn drie zonen heette Adriaen die – net als zijn vader – “treftig catholyck” was;
diens dochter Cornelia runde met haar man een katholiek Hofje in Delft. De twee andere zonen hadden
“gezindheid voor de nieuwe leer” en waren protestant geworden.
Voorts was er in 1985 een uitgebreide tentoonstelling over de kunstenaar Hendrick Goltzius in het Frans
Halsmuseum. Van zijn hand hing daar het prachtige portret uit 1590 van “zijn vriend en schilder-kunstenaar
Dirck Jacobszoon de Vries” (Teylers Museum)1.
Exact de zelfde naam dus als die van de burgemeester. Hij dreef een goed lopend atelier in Venetië.
Een tiental jaren later organiseerde het Rijksmuseum een schitterende tentoonstelling over ”Adriaen de Vries
(1556-1626), keizerlijk beeldhouwer”, met een evenzo prachtige catalogus. Alles onder leiding van
hoogleraar-cum-kunsthistoricus Frits Scholten. Deze Adriaen werkte vooral in het buitenland, vaak voor
katholieke keizerlijke opdrachtgevers aldaar2.
Naast aandacht voor mogelijke familienetwerken van toen is ook de wereld rondom belangrijk. Die betrof
immers de eeuw die op geestelijk gebied begon met boegbeeld Erasmus, met zijn beroemde spreuk “Heel de
wereld is mijn vaderland”3. Men kende elkaar hier, getuige bijvoorbeeld het feit dat Quirijn Thalesius niet
alleen tien jaar lang de secretaris van Erasmus was geweest, maar daarna ook nog eens tien keer het
burgemeestersambt bekleedde in Haarlem. Zo nam hij daar onder meer de eed af van “de jonge jurist” Dirck
Coornhert. Op zijn beurt was de veelzijdige Coornhert als etser en graveur de leermeester van Hendrick
Goltzius, die zonder twijfel ook op de hoogte raakte van zijn humanistische ideeën. Bekend is voorts dat
Goltzius – met in zijn kielzog zijn stiefzoon Jacob Matham – locaal onder meer gravures voor de Haarlemse
rederijkerskamer “Trou moet Blycken” ontwierp en realiseerde, zoals de blazoenen. Twee zijn er gegraveerd
door Matham, een ander werd in 1606 geschilderd door Frans Pietersz. de Grebber (zie zijn portretten
hierna)4. Maar ook over de grenzen waren er vele contacten en dan vooral via de Kunsten. Niet alleen
Coornhert en Goltzius (met stiefzoon) maar ook schilder, schrijver en stadgenoot Karel Van Mander (1548-
1606) blijken belangrijke verbindingsschakels te zijn geweest in die nationale en internationale netwerken.
“Europa van de kunsten” bleek hún vaderland, met Grand Tours en met geschriften – zoals Van Manders
Schilder-boeck, dat een “uitgebreide en betrouwbare schets geeft van de zestiende-eeuwse Europese
kunstwereld”5.

Dirck Jacobszoon de Vries: de Burgemeester

Dirck Jacobszoon de Vries (1510-1587/8) was een ervaren bestuurder van de stad Haarlem. Volgens het
Memoriaelbouck van Willem Janszoon Verwer vervulde hij in de periode 1542-1572 acht keer de functie van
schepen en zeven keer die van burgemeester van de stad. Daarbij was hij twee maal voorzitter van het viertal
burgemeesters: in 1566 en in het “beleg”-jaar 1572. Beide keren betrof dat één jaar, de gebruikelijke
ambtsperiode in die tijd6.
De Vries was in 1572 als voorzittend burgemeester zeer nauw betrokken bij het beleg van Haarlem. Over alle
krijgsverrichtingen en schermutselingen in die tijd is veel geschreven. Duizenden doden vielen er zowel aan
de bezettende Spaanse zijde als aan de verdedigende Haarlemse zijde7. Eind van dat jaar wilde Don Frederik,
de zoon van Alva, vanuit Amsterdam richting Haarlem koersen met het doel de stad te belegeren. Daartoe
spoedde burgemeester de Vries zich, volgens interne afspraken, met jonkheer van Schagen en pensionaris
van Assendelft naar Amsterdam met een geheim onderhandelingsvoorstel voor Don Frederik. Dat beoogde
een vreedzame oplossing te bereiken om aldus “Spaanse bloedbaden” zoals in Zutphen en Naarden te
voorkomen. De missie mislukte echter om allerlei redenen. Bovendien was de missie in Haarlem uitgelekt en
daar wachtte een woedende militaire leider van het Haarlemse verzet, de Groninger Wigbolt Ripperda, die
de Vries c.s. van verraad beschuldigde. De Vries bleef “voor nader overleg” wijselijk in Amsterdam, wetende
welk bewind Ripperda in de stad voerde. Zijn metgezellen gingen wél per ommegaande naar Haarlem, net
als iets later een gezant. Allen werden omgebracht. Ook werd enige tijd later – Pinksteren 1573 – Quirijn
Thalesius met anderen op beschuldiging van verraad ter dood veroordeeld en opgehangen. Tegenreacties
bleven niet uit: Ripperda werd op 16 juli van dat jaar onthoofd op ’t Sant (later herbenoemd tot Grote
Markt). Zo ging dat.
De Vries vluchtte van Amsterdam naar Hamburg. Na enige tijd (1574) kon hij echter weer vreedzaam
terugkeren naar zijn thuisstad, waar een gemengd-gelovige en meer gematigde groep bestuurders was
aangetreden. Hij werd later zelfs weer in de vroedschap benoemd.
Tóch waren ook ná 1574 de onlusten niet geheel voorbij. Hoewel gezegd werd dat in 1566 mede door het
optreden van de toenmalige stadssecretaris Coornhert de Beeldenstorm aan Haarlem voorbij ging, was het
onder meer op 29 mei 1578 wél raak toen de “Haarlemse Noon” plaatsvond. Op deze Sacramentsdag drong
een grote groep relschoppers onder andere de St. Bavo-kerk binnen, sloeg beelden kapot en richtte
vernielingen aan. De priester Balling, die hen tegemoet trad werd doodgeslagen8.
Bij deze “verlate” beeldenstorm speelde de goed-katholieke de Vries ook een rol. Volgens een getuigenis van
“de nonne” Elisabeth Verhagen had hij bij de beeldenstorm en de kloosterverwoesting van 1578 de goederen
van het S. Michielsconvent met daaronder de Reliekkas van het H. Kruis “in zijn huyse geherbercht ende
bewaert”. Volgens een verslag van het Bisdom Haarlem doet dit gedrag van de Vries volstrekt niet denken
“aan gezindheid voor de nieuwe leer, terwijl ook zijn geslacht aan de Kerk getrouw schijnt te zijn gebleven”.
Zo had zoon Adriaen zijn vrouw uit het “treftig catholyck geslacht Wij”9. Dit lijkt echter toch een te snelle en
te smalle conclusie, want zijn twee andere zoons Cornelis Dirckszoon en Gerrit Dirckszoon waren wél
protestant geworden.


Begrijpelijk is dat in deze “geslachtslijst” uit katholieke bron vooral de familie van de katholieke Adriaen naar
voren wordt gehaald. Over de andere familieleden is niet alleen weinig bekend, maar gelet op het feit dat
alle bekende geschilderde portretten Adriaens familietak betreffen kan hieruit ook de katholieke liefde voor
(heilige) beelden en portretten blijken, die veel minder bij de “sobere” protestanten te vinden is. Ook bij de
toekomstige schoonfamilie van dochter Cornelia komt deze “blijheid” ons tegemoet.


Alle drie portretten (met molenkragen) zijn geschilderd door Pieter Pietersz. I (1541-1603). Bij het eerste
portret, van Adriaen, is het wapen van deze de Vries-familie te zien: gedeeld, links rood met drie eikels van
goud (de drie zonen?) en rechts gekeperd van goud en rood. Het is 1580 en hij is dan 32 jaar.
Het tweede portret, van Adriaens echtgenote Cornelia Wij, toont een ruitwapen met links het wapen van
haar man en rechts het wapen van de familie Wij. Deze Cornelia is 27 jaar in 1580 .
Op het derde portret is dochtertje Cornelia de Vries te zien. Zittend, een korfje met rozen op haar schoot en
in de rechter bovenhoek het De Vries-wapen (portret gespiegeld ten opzichte van origineel). Het portret is
van 1583 en zij is dan nog maar vijf jaar oud.

Cornelia de Vries en het Klaeuwshofje te Delft

Kleindochter Cornelia trouwde in 1595 met Mr. Frederik Uyttenhage van Ruyven uit Delft. Zij was toen 17 en
hij 24 jaar. Getuige was onder andere Gerrit Dirckz. de Vries, een broer van de bruid.
De familie van Frederik wordt omschreven als een gegoede katholieke familie. Vader Dirck Uyttenhage Van
Ruyven (DUVR op de gevelsteen) was bierbrouwer en had zijn brouwerij “De Klaeuw” aan de Koornmarkt te
Delft; diens vrouw was Elisabeth Frederiksdochter Van Ruyven (EFVR), geboren van Adrichem. Dit echtpaar
stichtte in 1605 een hofje dat uit twaalf woninkjes bestond en vernoemd werd naar de brouwerij. Rooms-
Katholieke ongehuwde vrouwen en weduwen die niet meer in hun onderhoud konden voorzien mochten er
gratis wonen en werden onderhouden. Dit Klaeuwshofje bestaat in gewijzigde vorm nog steeds, met als
gevel-spreuk:


Naast het concreet helpen van de armen, hoopten de rijke stichters van het Hofje kennelijk hun plekje in de
hemel veilig te stellen.
Ook deze katholieke familie is mooi geportretteerd. Zo is er een schilderij van moeder Elisabeth op 74-jarige
leeftijd (schilder onbekend). Het schilderij van haar man bestond, maar is verloren gegaan. Zoon Frederik en
zijn vrouw Cornelia de Vries zijn beiden in 1603 geportretteerd door de eerder genoemde schilder Frans
Pietersz. de Grebber (1573-1649). Frederik was toen 32 jaar en Cornelia (nu) 25 jaar.



Het echtpaar kreeg zes kinderen, waarvan de oudste zoon , Adriaen (1598) , pastoor werd in Den Briel en
later in Delft; de oudste dochter was Josina (1600). Beide portretten zijn ook van de Grebber. Grootmoeder
had toentertijd met de hier geportretteerden de leiding over het Hofje.

Dirck Jacobszoon de Vries: de Schilder

In het Tijdschrift voor Nederlandsche Kunstgeschiedenis bespreken de kunsthistorici Van Gelder en Pariset
een portrettekening van Dirck Jacobsz. de Vries, vervaardigd in 1590 door diens vriend Hendrick Goltzius10.De vriendschap van Goltzius met de Vries wordt reeds door Karel van Mander gemeld. Want in het bewuste
jaar “arriveerde hij te paard” bij hem in Venetië – als tussenstop in zijn Grand Tour op weg naar Rome. Van
Mander verhaalt over dat bezoek via een vermakelijke “zoete klucht’ aangaande Goltzius, met wie hij
persoonlijk bevriend was. Die schiep er behagen in om op zijn reis incognito te reizen. Zo kon hij zijn oor te
luisteren leggen en de wérkelijke oordelen en roddels over zijn werk vernemen. Op een Venetiaanse schilder,
die had beweerd Goltzius wel op zijn voorname uiterlijk te zullen herkennen, stuurde hij een bevriende
zilversmid af (metgezel Jan Mathijssen). Deze was lang en deftig en viel pas door de mand toen hem om een
tekening werd gevraagd. Aldus, moraliseert van Mander, vond de ander zich bedrogen in zijn mening dat hij
iemand op zijn uiterlijk kon beoordelen11.

De “doorluchtige” schilder De Vries dreef van 1590 tot 1609 een goed beklant atelier in Venetië. Daarvoor
was wél het stadsburgerschap vereist. Hij wordt door de bovengenoemde kunsthistorici (nogal uitbundig)
gekenschetst als onder meer “een gevierd portretschilder, een schilder van een gevarieerd Venetiaans
realistisch markttafereel en één van de eerste Venetiaanse topografen”. In een Amsterdamse boedel uit
1612 werd een drietal schilderijen van hem vermeld.

Goltzius’ tekening van hem is in Venetië op diens heenweg naar Rome ontstaan. Hij gebruikte verschillende
kleuren krijt en ook hier is de geplooide kraag in beeld. De Vries woonde met zijn vrouw Oegenia aldaar,
waar hun zoon Frederik werd geboren. Deze zou later bij Goltzius in de leer én de kost komen, dat laatste
samen met zijn broer Pieter Anthonij. In 1597 graveerde Goltzius “de fenomenale beeltenis” van de jonge
Frederik met hond – een Drentse patrijshond, Goltzius’ eigen huisdier (Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum).
De afbeelding moet bij verschijnen onmiddellijk een geweldige indruk hebben gemaakt, want “al spoedig
waren er bedrieglijk goede kopieën in de handel – tot in de twintigste eeuw toe. En dat bewijst hoe lang de
nagalm van een krachtig beeld kan zijn in het bewustzijn van latere kunstenaars”. Het portret wordt door
kunstkenners als één van de topwerken van Goltzius gekwalificeerd.


De gravure betreft de tweede staat van drie. In de cartouche onder de hond staat Goltzius’ opdracht in het
Latijn, met als vertaling: “Dit werk draag ik op aan de voortreffelijke schilder Dirck de Vries in Venetië en stel
hem zijn afwezige zoon voor ogen”. In de marge staat een Latijnse tekst van de Nederlandse oudheidkundige
Petrus Scriverius met enige duiding. Goltzius zou met de afbeeldingen volledig aansluiten bij de beeldtaal van
Karel van Mander, waarin de duif onder andere staat voor eenvoud en de hond niet alleen voor trouw maar
ook voor “den rechten Leeraer” en zou hij hier zichzelf hebben voorgesteld. Bovendien past het dier in een
voor hem bekende humanistische traditie, die de liefde van de hond voor zijn meester verheerlijkt12.

Frederik is jong overleden. Uit zijn testament van 1613 spreekt grote dankbaarheid jegens zijn meester,
patroon en voogd. Zijn “eenige ende universeelen erfgenaem” is zijn lieve moeder Oegenia de Vries en (in
tweede instantie) zijn broer Pieter Anthonij. Executeurs zijn Goltzius en diens (eerder genoemde) goede
vriend Jan Matthijssen.

Adriaen de Vries: keizerlijk beeldhouwer

Adriaen Pieterszoon de Vries werd geboren in Den Haag, waarschijnlijk in 1556. Hij overleed op
zeventigjarige leeftijd in Praag (1626). Volgens Frits Scholten kwam hij uit een respectabele Haagse
regentenfamilie. Zijn vader was Pieter Willemszoon de Vries (circa 1530 – 1594) een apotheker en zijn
moeder een advocatendochter, Margrietje Snouck. Zij kregen acht kinderen13.

Aanvankelijk ging hij in de leer bij een zwager, die goudsmid was in Den Haag. Later zou hij in Delft in het
beeldhouw-vak zijn bekwaamd door Willem Danielszoon van Tetrode (1525-1580). Die dreef een atelier
aldaar en was met zijn ruime internationale ervaring een beeldhouwer van formaat en even vaardig in brons
als in marmer en albast. Scholten constateert dat: “De invloed van diens creaties op het werk van Hendrick
Goltzius een duidelijke aanwijzing is voor zijn reputatie in eigen land” – ook hier weer een duidelijke link naar
de Haarlemse kunstenaar. Verder merkt hij over de levensloop van Adriaen de Vries op dat niet bekend is in
welk jaar hij zijn geboorteland verruilde voor Italië en evenmin wat hem precies bewoog tot zo’n ambitieuze
stap. Wél staat vast “dat hij niet de enige Nederlandse beeldhouwer was die zijn succes in het buitenland
beproefde”. De Vries heeft echter zijn Nederlandse wortels nooit verloochend. Zo signeerde hij het
merendeel van zijn beelden met het achtervoegsel “Hagiensis Batavus” (“De Bataafse Hagenaar”) en
verkeerde hij voortdurend in gezelschap van landgenoten.

Het is in dit verband opvallend hoeveel “Noordelijke” kunstenaars elders in Europa terechtkwamen en er een
succesvol bestaan opbouwden. Scholten schetst een complex van factoren dat daarbij een rol heeft
gespeeld. Zo was de culturele dichtheid in de Nederlanden de hoogste in Europa. Ook was de mobiliteit
onder de Nederlandse kunstenaars opvallend hoger dan elders in Europa. Naast studie van de kunst van de
Oudheid en van de grote Italiaanse meesters vormden ook opdrachten de belangrijkste motivatie voor
kunstenaars om huis en haard te verlaten. In het bijzonder vanwege de kansen op vorstelijke protectie – waar
het in eigen land zozeer aan ontbrak – maakten het buitenland aantrekkelijk. Zo bracht het
hofkunstenaarschap allerlei financiële en sociale privileges met zich mee. Bovendien maakte dat kunstenaars
onafhankelijk van de gilden. De buitenlandse aantrekkingskracht voor jongere, ambitieuze landgenoten was
al met al ook evident. Zo noemt Scholten onder de landgenoten die in 1595 in Rome – de Eeuwige Stad –
arriveerden “de jonge graveur Jacob Matham (1571-1629), zoals bekend de stiefzoon en leerling van
Goltzius. “Wellicht kenden De Vries en Matham elkaar al, bijvoorbeeld via Jan Muller, een andere Goltziusleerling
die enkele jaren later verschillende werken van De Vries in prent zou reproduceren”.

Dit portret van Adriaen de Vries op middelbare leeftijd (ca. 1600) bevindt zich in Augsburg ,
Städtische Kunstsammlungen, olieverf op paneel

VOETNOTEN

1 Goltzius was ook middelpunt van het Kunsthistorisch Jaarboek 1991-1992, Falkenburg, Kok en Leeflang;
Waanders, Zwolle 1993. In 2003 was er een tentoonstelling over zijn werken in diverse (inter-)nationale
musea, waaronder het Rijksmuseum in Amsterdam. Leeflang Orenstein en Nickols; Waanders 2003
2 Adriaen de Vries, Rijksmuseum Amsterdam, 12 december 1998 – 14 maart 1999. Tentoonstelling en
Catalogus in samenwerking tussen Rijksmuseum, National Museum (Stockholm) en J. Paul Getty Museum
(Los Angeles).
3 In de jongste Christmas Special van The Economist (December 2020) werd hij “ .. the last great intellectual
of a united Christian Europe” genoemd.
4 Alexander de Bruin, De schatten der Pellicanisten, Haarlem, 2001, over de Haarlemse rederijkerskamer
“Trou moet Blycken”, o.a. pagina’s 40-44. Zie over Coornhert c.s. Wim Cerutti e.a. : Dirck Volckertszoon
Coornhert (1522-1590), Een strijdbare Haarlemse humanist, Haarlem 2018. En Peter van Wingerden, Sporen
van Coornhert in Haarlem, Haerlem Jaarboek 2018.
5 Vergelijk: Hessel Miedema over Van Mander, NRC Handelsblad 6-5-1994 en Waanders 1993.
6 Memoriaelbouck, pagina 13, voetnoot 57. Verwer was onder andere procureur van de rechtbank.
7 Zie o.a. Wim Cerutti, Het Stadsbestuur van Haarlem, 2001, p. 351 e.v. Zie ook de informatieve UVAMasterscriptie
van Guy Rocourt: De regimewisselingen in Haarlem tussen 1572 en 1577. Juni 2015
8
8 De Noon is het middaggebed in abdijen en kanunnikencolleges, het gebed van het negende uur. Op 29 mei
1578 was de bisschop met dit college en vele priesters vanwege de Noon naar de kerk getrokken.
9 J.J. Graaf, Het Klauwshofje te Delft in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, Vol. 38
(1918).
10 Dirck de Vries, door F.G. Pariset en J.G.van Gelder, OUD-HOLLAND, 1950.
11 Karel van Mander, Schilder-boeck, 1604. Hoofdstuk “Het leven der doorluchtige Nederlandtsche en
Hoogduytsche schilders”. Zie ook Leeflang C.S. 1993 en voetnoot 4.
12 Zie voetnoot 1.
13 Frits Scholten, Catalogus, p.42, voetnoot 6: Willem, Adriaen, Dirck, Cornelis, Florentina, Soetgen, Aechgen
en Beatrix. Cornelis (een schoenmaker) was in 1594 de boedelverdeler van zijn ouders en in 1627 de
belangrijkste erfgenaam van Adriaen.

Met dank aan het Noord-Hollands Archief, het Stadsarchief Delft, het Museum Prinsenhof Delft,
Prof Dr. Frits Scholten, Dr. Jan Spoelder en Jeroen Dortmundt.
De foto’s van de zeven portretten zijn uit de collectie van het Prinsenhof Museum, bruikleen
Stichting ’t Klaeuwshofje (fotograaf Tom Haartsen).

Marius van Nieuwkerk houdt van geschiedenis en schrijft er graag over:
www.mariusvannieuwkerk.com